Fluorescentie-onderzoek


Tijdens het fluorescentie-onderzoek worden de bloedvaten van het netvlies (retina) en het vaatvlies (chorioidea) van het oog met een contrastvloeistof beter zichtbaar gemaakt. Het doel hiervan is het stellen van de diagnose en/of het mogelijk maken van een even­tu­ele behandeling. Bij het fluorescentie-onderzoek wordt gebruik gemaakt van con­trast­vloeistoffen die oplichten wanneer zij met licht van een bepaalde kleur (golflengte) worden be­sche­nen. De in de oog­heelkunde gebruikte contrastvloeistof­fen zijn natriumfluo­resceïne en indocyanine groen (ICG).

Hoe wordt dit onderzoek verricht?

Foto van het oog, waarbij de netvliesvaten zijn gekleurd met contractvloeistof.

U krijgt pupilverwijdende druppel­tjes in beide ogen. Het netvlies en het vaatvlies van het oog (zie tekening) kunnen zo beter bekeken worden. Een kleine hoeveelheid contrastvloeistof wordt in een ader van de arm gespoten. Na ongeveer tien seconden bereikt deze vloeistof de bloed­vaten van het oog. Het oog wordt, afhankelijk van de gebruikte contrast­vloeistof, besche­nen met licht van een korte (blauwe) of lange golf­lengte (infrarood). De vaten van het netvlies en het vaatvlies lichten hier­door op en met een speci­ale camera (fundus­camera) worden foto's gemaakt. Om de verschillende 'vullingsfasen' in de netvliesvaten goed te fotograferen worden de opnames snel na elkaar gemaakt (1 foto per seconde). Het onderzoek duurt 10 tot 30 minuten.

De contrastvloeistof natriumfluoresceïne wordt het meest gebruikt en hiermee wordt meestal begonnen. Indien de gemaakte foto's niet voldoende informatie geven, kan aan­sluitend een tweede contrastvloeistof indocyanine groen (ICG) ge­bruikt worden. Met deze laatste vloeistof kunnen met name de wat dieper gelegen vaten van het vaatvlies zichtbaar gemaakt wor­den.

Soms is, aan de hand van zichtbare afwijkingen op de contrast­foto's, een behandeling met laserstralen nodig.

Welke patiënten komen voor dit onderzoek in aanmerking?

  1. Patiënten met suikerziekte, waarbij afwijkingen zijn ontstaan aan het netvlies.
  2. Patiënten met afwijkingen aan de gele vlek (macula). 
  3. Patiënten met afwijkingen aan de bloedvaten van het oog als gevolg van bijvoorbeeld hoge bloeddruk of arteriosclero­se.
  4. Patiënten met minder vaak voorkomende oogafwijkingen.

Wat is voor u belangrijk?

  1. Om de zeer kleine risico's die een contrastonderzoek met zich meebrengt verder te verkleinen,  vragen wij u de bijgevoegde vragen­lijst, die betrekking heeft op uw ge­zond­heid, in te vullen.
    Deze lijst moet ingeleverd worden tijdens uw bezoek aan de afdeling Fotografie.
  2. Door de verwijde pupillen en de felle verlichting tijdens het onderzoek kan het zicht enkele uren wat wazig zijn. U wordt geadviseerd na het onderzoek niet zelf auto te rijden. 
  3. In verband met een goede doorstroming van de vloeistof in de aders verzoeken wij u geen strakke bovenkleding te dragen.
  4. De huid kan na afloop korte tijd wat geel van kleur zijn, dit verdwijnt snel. Een enkele keer kan er sprake zijn van voorbijgaande misselijkheid. De kleurstof wordt door de nieren uitgescheiden, zodat de urine wat anders van kleur is. Hierover hoeft u zich geen zorgen te maken.
  5. Het onderzoek gebeurt niet met röntgenstralen, maar met gewoon licht. De gebruikte contrastvloeistoffen zijn niet radioactief.
Sluit de voorlees functie