Laat de tekst voorlezen
Sluit de voorlees functie

Werking van het oog

Bouw en werking van het oog

Wij nemen de wereld rondom ons heen waar door onze zintuigen: ogen, oren, neus en tast- en smaakzin. Al deze zintuigen werken als een ontvanger, die de signalen uit de omgeving opvangt, en een geleider, die deze signalen naar de hersenen doorgeeft. In de hersenen worden de signalen omgezet in waarnemingen en worden deze in het geheugen opgeslagen.

Het oog werkt als een fototoestel. Het beeld waarnaar we kijken wordt omgezet in elektrische signalen. Deze worden door de oogzenuw naar de hersenen geleid. De oogzenuw is te vergelijken met een elektrische verbindingskabel tussen de ogen en het ziencentrum van de hersenen, dat in het achterhoofd ligt. Pas in de hersenen worden we ons bewust van de voorwerpen die we zien.

Het waarnemen van de dingen om ons heen wordt dus niet bepaald door de ogen, maar door het centrum in de hersenen waar de elektrische signalen terecht komen.

Het oog werkt als een fototoestel

In het oog zit, net als in een fototoestel, een compleet lenzenstel, een diafragma en een lichtgevoelige filmplaat. Het oog heeft twee lenzen: het hoornvlies (cornea) en de eigenlijke lens (ooglens). Tussen de twee lenzen bevindt zich het diafragma. Dit is de pupil. Aan de binnenkant van de oogbol ligt de gevoelige filmplaat, het netvlies of retina. Het lenzenstelsel zorgt ervoor dat op het netvlies een scherpe afbeelding komt.

Hoornvlies (cornea)

Aan de voorkant van het oog bevindt zich het hoornvlies (cornea). Dit is het doorzichtige deel van de harde oogrok (sclera), die de hele oogbol omvat. Het hoornvlies werkt als een lens, die zelfs sterker is dan de eigenlijke ooglens. De brekingssterkte van een lens wordt uitgedrukt in dioptrieën.

Hoe groter het aantal dioptrieën, hoe sterker de lens. De brekingssterkte van het hoornvlies ligt tussen de 40 en 45 dioptrieën. De ooglens heeft een sterkte van ongeveer 20 dioptrieën. De ooglens kan echter van sterkte veranderen door boller te worden. Hierdoor kunnen we van dichtbij zowel als van veraf scherp zien. Dit bijstellen van de ooglens noemen we accomoderen.

Pupil en iris (regenboogvlies)

De pupil is een kleine ronde opening in de iris (regenboogvlies). Wij kijken door de pupil, die er van buitenaf uitziet als een zwart gaatje. In fel licht wordt de pupil kleiner, in het donker wordt ze groter. De pupil regelt op deze manier de hoeveelheid licht die het oog binnen kan komen. De iris bepaalt de kleur van de ogen. Heeft iemand veel pigment in de ogen dan zijn deze bruin. Bij weinig pigment heeft men blauwe of grijze ogen.

Netvlies (retina)

Het netvlies (retina) bestaat uit speciale cellen die we fotoreceptoren noemen. Deze fotoreceptoren zetten beelden om in elektrische signalen, die vervolgens naar de hersenen gaan. We hebben twee soorten fotoreceptoren: kegeltjes en staafjes. De kegeltjes (ongeveer 6 miljoen per oog) zorgen ervoor dat we bij daglicht en goede kunstverlichting kunnen zien. Met de kegeltjes kunnen we recht voor ons uit details onderscheiden en kleuren zien.

Lezen en tv-kijken doen we bijvoorbeeld met de kegeltjes. Met de staafjes kunnen we opzij en in het donker zien. Hiermee zien we echter geen details en kunnen we dus niet lezen of tv-kijken. Ook worden met de staafjes geen kleuren waargenomen.

Gele vlek (macula lutea)

De gele vlek of macula lutea is een plek middenachter op het netvlies waar de kegeltjes heel dicht op elkaar zitten. Hiermee kunnen we hele fijne details zien. Hoe goed iemand dit kan, wordt uitgedrukt in gezichtsscherpte.

Harde oogrok (sclera) en vaatvlies (chorioidea)

De harde oogrok (sclera) heeft het oog zijn stevigheid. De harde oogrok is wit, maar heeft aan de voorkant een doorzichtig deel, het hoornvlies (cornea). Binnen de harde oogrok ligt het vaatvlies (chorioidea), een dicht netwerk van bloedvaten, dat voor de voeding van de staffjes en kegeltjes zorgt. Het vaatvlies gaat aan de voorkant van het oog over in de iris (regenboogvlies). Het netvlies (retina) ligt aan de binnenzijde tegen het vaatvlies.

Voorste en achterste oogkamer

De voorste oogkamer ligt tussen het hoornvlies en de iris. Deze ruimte is gevuld met oogvocht of kamerwater, een heldere vloeistof. Het wordt in de achterste oogkamer gemaakt. Deze ruimte ligt achter de iris, waar de lens is opgehangen.

Het kamerwater wordt gemaakt door het straallichaam (corpus cilaire) en stroomt langs de ooglens door de pupil naar de voorste oogkamer. In de kamerhoek bevinden zich vele kleine openingen in de harde oogrok. Dit wordt het trabekelsysteem genoemd.

Via dit systeem wordt het kamerwater afgevoerd naar de bloedbaan. Het kamerwater zorgt voor de aanvoer van voedingsstoffen en zuurstof. Ook de oogdruk wordt door de aanmaak en afvoer van het kamerwater bepaald.

Glasvocht (corpus vitreum)

De grote ruimte achter de lens is geheel gevuld met glasvocht (corpus vitreum). Dit is een gelei-achtige massa omgeven door een dun vlies. Ook het glasvocht bevat geen bloedvaten. Wel zitten er dunne vezels in die zorgen voor elasticiteit en stevigheid.

Soms kan men die vezels in het eigen oog zien, bijvoorbeeld wanneer men tegen een strak blauwe lucht of een wit plafond aankijkt. We spreken dan van mouches volantes (vliegende muggen). Met de loop van de jaren neemt de elasticiteit van de elastische vezels in het glasvocht af.

Rond het 60ste jaar gaat het glasvocht zich hierdoor verdichten en kan het gedeeltelijk los komen te liggen van het netvlies. Dit noemen we een achterste glasvochtloslating. De ruimte die ontstaat wordt gevuld met kamerwater. Net zo min als mouches volants veroorzaakt dit problemen.

Tijdens het ontstaan van de loslating kan men gedurende enkele dagen hinderlijke lichtflitsen zien. Dit wordt veroorzaakt door de trek aan het netvlies en het gaat vanzelf weer over.

De oogzenuwbaan (nervus opticus)

De oogzenuw (nervus opticus) is het eerste gedeelte van de oogzenuwbaan. De oogzenuw zit aan de achterkant van de oogbol als een stekker in een stopcontact! De plek waar de oogzenuw vast zit aan de oogbol heet de kop van de oogzenuw of papil. Met de oogspiegel kan de oogarts deze plek bekijken.

Op de plaats van de papil zit geen netvlies. Met dit gedeelte kunnen we dus niet zien. Het wordt daarom de blinde vlek genoemd. In de oogzenuw zitten ruim 1 miljoen zenuwvezels. Per zenuwvezel worden tegelijkertijd verschillende signalen aan de hersenen doorgegeven.

De oogzenuw loopt in de oogkas naar achteren en gaat door een opening in de schedelbasis naar de schedel toe. Vrijwel direct daarna kruist een gedeelte van de zenuwvezels elkaar. Deze kruising wordt de chiasma opticum genoemd.

Vanuit de kruising lopen van beide ogen alle signalen die uit het rechterdeel van het gezichtsveld komen via de linker oogzenuwbaan naar het ziencentrum links (in de hersenen).
Alle signalen uit het linker gezichtsveld van beide ogen gaan naar het ziencentrum rechts.

Dit betekent dat bij uitval van de zenuwbaan aan de linkerzijde (voorbij de kruising) met allebei de ogen niet meer in het rechter gezichtsveld wordt gezien. Omgekeerd zal bij een uitval rechts met beide ogen links niets meer worden gezien.

Het ziencentrum

Iedere plek in het gezichtsveld heeft een eigen, vaste plaats in het ziencentrum, waar de gegevens worden verwerkt. Men heeft dit kunnen testen bij mensen waarvan de ogen niet meer functioneren, maar de oogzenuwbaan en het ziencentrum wel. Wanneer bij zo'n patiënt in het achterhoofd het ziencentrum op een bepaalde plek met een zwak elektrisch stroompje werd gestimuleerd, dan zagen zij aan de tegenovergestelde kant in het gezichtsveld op een vaste plaats een lichtflits. Dit experiment werd in het buitenland uitgevoerd op een aantal vrijwilligers. Het doel was om na te gaan of op deze manier een mogelijkheid tot zien gevonden kon worden. Zover is het echter nog lang niet.

De gegevens uit de gele vlek komen in beide ziencentra links en rechts in de hersenen terecht. Dit is een soort extra beveiliging, doordat bij uitval aan één kant van de hersenen de functie van de gele vlek niet helemaal uitvalt.

Oogspieren

De oogspieren zitten met één uiteinde vast aan een ring achter in de oogkas en met het andere uiteinde aan de buitenkant van het oog. Er zijn vier rechte oogspieren, die boven, onder en aan de twee zijkanten van het oog zitten. Hiermee kan het oog naar boven, onderen en opzij worden gedraaid. De twee overige spieren zijn de schuine oogspieren, die zorgen voor het schuin naar boven en beneden kijken.

Oogleden en traanwegen

De oogleden hebben een beschermende functie tegen uitdroging, fel licht en vreemde voorwerpen die op ons afkomen. In het laatste geval worden de oogleden in een reflex snel dichtgeknepen. Bij fel licht knijpen we de ogen tot spleetjes, zodat er minder licht de pupil binnen kan komen en we niet verblind raken. Tegen uitdroging knipperen we met de ogen, waardoor de traanfilm die op het hoornvlies ligt steeds ververst wordt.

Het traanvocht wordt gemaakt door de traanklier. Deze ligt aan de buitenkant van het bovenooglid. Van daaruit vloeit het traanvocht als een dun filmpje over de voorzijde van het oog om het tegen uitdroging te beschermen. Aan de neuszijde zitten in het boven- en onderooglid de traankanaaltjes. Dit zijn afvoerbuisjes, waardoor het traanvocht naar de neus wegloopt. Dit kunnen we merken wanneer we huilen. Niet alleen rollen er tranen uit de ogen, maar door het vele traanvocht gaan we ook snotteren.